Esther Hoorn

om kennis te delen over open content en rechten

Eindgebruikers-auteursrecht in vier regels

Voor de opkomst van internet was het auteursrecht een zaak van schrijvers, kunstenaars en uitgevers. Wat is nu nuttige basiskennis voor iemand die wil meepraten over het auteursrecht vanuit het perspectief van de eindgebruiker op internet? Er zijn vier dingen, die iedereen over het auteursrecht zou moeten weten.

Regel één: Niet op alles zit auteursrecht. Gedachten zijn vrij. En op feiten zit geen auteursrecht. Uitgangspunt is dat werken met een oorspronkelijk karakter beschermd worden, die het persoonlijk stempel van de maker dragen. Het feit dat Wikipedia een rechtenvrije encyclopedie van de grond krijgt, lijkt op iets anders te wijzen, maar aan het auteursrecht ligt de gedachte ten grondslag dat het nodig is om mensen, die scheppend werk doen, een exploitatiemogelijkheid in het vooruitzicht te stellen. Al rekt de rechter dit werkbegrip de laatste tijd op tot geuren en mondeling verhalen van getuigen, in principe rust het auteursrecht alleen op een creatief werk. Dus als een museum geld vraagt voor het beschikbaar maken van een reproductie van een tweedimensionale afbeelding waarop geen auteursrecht meer zit, dan berust dat niet op het auteursrecht.1

Dan komen we van zelf bij regel twee: De maker mag beslissen over verveelvoudiging en openbaarmaking. Dat geeft hem een onderhandelingspositie. Zo kan hij geld vragen, maar hij kan ook over andere punten afspraken maken. Hij kan ook nagenoeg afstand doen van zijn recht. Het is al tijden mijn droom om ter stimulering van Open Content samen met een programma als Andere Tijden een grote vrijwillige wegwuif-aktie op touw te zetten. In hoofdzaak is het belangrijk om te begrijpen dat het wel de wet is, die die macht aan de maker geeft, maar dat de maker vervolgens zelf in onderhandelingen met uitgevers of met eindgebruikers voorwaarden aan de verspreiding kan stellen. Wetenschappelijke bibliotheken proberen nu bijvoorbeeld om wetenschappers te overtuigen dat zij er voor de verspreiding van hun werk goed aan doen om bij het tekenen van het contract met een uitgever zelf het recht te houden om hun publicatie op internet beschikbaar te maken. Dat past prima in het auteursrecht.

Regel drie stemt al wat treurig. Er zijn in de auteurswet beperkingen ingebouwd op het exclusieve recht van de maker, deels uit praktisch oogpunt, deels om publieke belangen veilig te stellen. Maar die beperkingen gaan, met uitzondering van het beperkte citeerrecht, nooit zover dat een ander dan de rechthebbende op basis daarvan zonder toestemming of vergoeding materiaal vrij beschikbaar mag maken op internet. Publiek toegankelijke musea en bibliotheken en archieven zonder commerciële doelstelling mogen bijvoorbeeld een digitale kopie maken van een werk uit hun collectie om het te behoeden voor verval, maar ze mogen die kopie dan niet op internet openbaar maken.

Maar bij regel vier zit echt het probleem: Het auteursrecht wordt verkregen door de enkele schepping. Op grond van internationale verdragen is er geen vormvereiste voor het ontstaan van het auteursrecht op een werk. Voor de opkomst van internet werd terecht gedacht dat vele verschillende formaliteiten internationale bescherming van het auteursrecht onmogelijk zou maken. Maar het hele internet drijft op vindbaarheid. Digitaliseringsprojecten lopen er tegenaan dat van zoveel werken niet te achterhalen is wie de rechthebbende is en of er nog auteursrecht op rust op iets wat ze willen digitaliseren. Er gaan daarom steeds meer stemmen op om toe te werken naar meer kenbaarheid. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door eerst te beginnen met een algemeen geldende kortere looptijd en verlenging daarvan afhankelijk te maken van een vorm van registratie.

We zien nu al dat bijvoorbeeld audio-visuele archieven direct van de omroepen vragen dat zij metadata over de auteursrechten toevoegen aan het materiaal. Hierbij is er wel een risico dat deze vorm van registratie leidt tot een versterking van de belangen van rechthebbenden. Op basis van regel twee kan de maker ook in het contract over de verspreiding van zijn werk bedingen dat het kenbaar is wie de rechthebbende is. Het experiment met de Creative Commons licenties is ook daarop gericht.

 

1Beunen, A, Musea als makelaars in beeldmateriaal, Maandblad voor Vermogensrecht juli-augustus 2008, nr. 7-8 p. 163/167.

Leave a Reply